Stichting Lachai-Roï

De nacht is ver gevorderd,
de dag is nabij (Rom 13:12)

Hieronder staat de 'One-a-Day'-studie van vandaag. Elke dag verschijnt de volgende uit een reeks van 87 van deze studies. Na 87 dagen wordt opnieuw met de eerste studie begonnen.

32 - De opstanding van Jezus Christus
Vóór Zijn kruisiging heeft de Here Jezus aan Zijn discipelen verteld dat Hij overgegeven zou worden in de handen van zondige mensen, ter dood gebracht zou worden en dat Hij op de derde dag weer zou opstaan (Luc. 24:7).
In de samenvatting van het evangelie dat door Paulus werd verkondigd aan de Corinthiërs, waardoor zij door te geloven gered konden worden, verklaarde hij: ‘Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften’ (I Cor. 15:1 4). Hierin staan drie belangrijke feiten die essentieel zijn voor de boodschap van het evangelie: de dood, de begrafenis en de opstanding van Jezus Christus.
Er zijn veel mensen die belijden christen te zijn, maar die niet geloven dat Jezus Christus is gestorven. In feite geloven zij niet dat ooit iemand sterft, dat alles plaatsvindt als overgang van de ene vorm van leven naar de andere. Bovendien geloven zij niet dat Hij begraven is. Zij houden het erop dat het slechts Zijn lichaam was dat begraven werd. Tegen deze achtergrond is het voor hen onmogelijk volledig te geloven in Zijn opstanding, aangezien Hij nooit werkelijk gestorven is en niet werkelijk begraven is. Zij schieten dus allemaal tekort ten opzichte van de kwalificatie die in Romeinen 10:9 wordt genoemd; zij geloven niet met hun hart dat God Hem heeft opgewekt uit de doden.
Dezelfde Bijbel die ons vertelt dat Jezus Christus is geboren en dat Hij heeft geleefd, vertelt ons ook dat Hij is gestorven, dat Hij is begraven en dat Hij uit de dood is opgestaan. Zijn herstel tot leven was geen reanimatie of reïncarnatie. Het was opstanding.
Een van de betere geestelijke liederen, zeer populair in evangelische kringen, heeft in het eerste couplet en het refrein de volgende woorden: ‘diep in het graf lag Hij – Jezus mijn Redder!; Op de komende dag wachtte Hij – Jezus mijn Heer!; Uit het graf stond Hij op, een machtige overwinning over Zijn vijanden; Hij stond op als overwinnaar uit het donkere gebied, en Hij leeft voor altijd met Zijn heiligen om te heersen; Hij is opgestaan! Hij is opgestaan! Halleluja! Christus is opgestaan!’
Ik vind het fijn om dit te zingen, omdat ik ieder woord ervan geloof. Na Zijn kruisiging wordt ons verteld dat Zijn vrienden om Zijn lichaam verzochten en in ‘een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neder’ (Joh. 19:38 42). Het is dus waar: ‘diep in het graf lag Hij – Jezus mijn Redder.’ Als mensen dit niet geloven, zouden ze eerlijk moeten zijn en het ook niet zingen.
Steeds maar weer horen we mensen zeggen dat we geen dode Christus aanbidden. Dat is waar, we aanbidden een levende Redder. Maar we moeten er steeds van bewust zijn dat we dat kunnen zeggen omdat Hij is opgestaan uit de dood. En we moeten ook beseffen dat als wij eenmaal in de toestand van de dood terechtkomen, we niet zullen leven dan alleen door de opstanding. Het was door de opstanding dat Christus kon zeggen: ‘Ik ben de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden’ (Openb. 1:18).


Otis Q. Sellers

Printer-vriendelijke pagina