De nacht is ver gevorderd,
de dag is nabij (Rom 13:12)

Stichting Lachai-Roï

Hieronder staat de 'One-a-Day'-studie van vandaag. Elke dag verschijnt de volgende uit een reeks van 87 van deze studies. Na 87 dagen wordt opnieuw met de eerste studie begonnen.

18 - 
‘Komt, hoort, en ik wil vertellen, gij allen die God vreest, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel’ (Psalm 66:16). Het is nu achtenveertig jaar geleden dat God door Jezus Christus een relatie met mijn leven is aangegaan. Ik begreep in die tijd niet wat Hij deed en ook nu begrijp ik het nog niet helemaal. Maar ik weet wel dat Hij in mijn leven is gekomen om Zich daaraan te verbinden en er deel van te gaan uitmaken. Ik was een zondaar en Hij verlangde ernaar mijn Redder te worden. Hij wilde graag dat ik gered werd.
Dat werk van God voor mij was volkomen genade. Het was een daad van liefde en genegenheid voor iemand die dat niet verdiende, want dat is wat genade betekent. Genade is Gods hoogste uiting van liefde en zij zoekt naar beantwoording van die liefde. Ik heb Hem nu lief, omdat Hij mij eerst heeft liefgehad (I Joh. 4:19). Maar de liefde van God, hoewel volhardend, dringt zich niet aan iedereen op. Ik had Gods genadige poging kunnen afwijzingen. Ik ben nu blij dat ik de deur niet in Zijn gezicht heb dichtgeslagen en Hem niet een plaats in mijn leven heb ontzegd.
Gods werk voor mij was niet alleen genadig, het was ook geheim. Dat is in overeenstemming met de huidige manier waarop God met mensen omgaat: genadig en in het geheim. Ik zou van het feit dat God in genade mijn leven had aangeraakt, nooit iets hebben geweten, als ik Zijn genadige werk had genegeerd en afgewezen. Als we toegeven aan Zijn werk in ons leven, zal dat er uiteindelijk toe leiden dat we gaan beseffen dat God in ons leven aan het werk is geweest. Maar als iemand dat werk afwijst, zal niets van wat God heeft gedaan, worden onderkend.
Het simpele feit dat iemand als gelovige in Jezus Christus bestaat, is het positieve bewijs dat God aan het werk geweest is. Een letterlijke vertaling van I Johannes 5:1 zegt: ‘ieder die gelooft dat Jezus is de Christus, is voortgebracht door God.’ Deze goddelijke voortbrenging zit achter het geloof van iedere gelovige. De positie die hij inneemt voor God komt niet uit de mens, noch door een mens, maar is uit Jezus Christus en God de Vader. In de voorzienigheid van God begint Hij, opdat het geloof onder mensen niet verloren zou gaan, voortdurend een werk in het leven van mensen, dat, als men er aan toegeeft en het zijn gang laat gaan, tot gevolg heeft dat een mens een door God voortgebrachte gelovige in de Here Jezus Christus wordt.
Ik beweer dat God dat werk voor mij heeft gedaan, dat ik me daaraan heb overgegeven, erdoor werd gestimuleerd en het gevolg is dat ik nu een theogenetische, dat is een door God voortgebrachte, gelovige ben in het getuigenis dat God over Zijn Zoon heeft gegeven. Op gezag van Zijn Woord maak ik aanspraak op ieder privilege, elke zegening en elke eer die God heeft beloofd aan hen die geloven. U kunt ontdekken wat dat allemaal inhoudt door de volgende gedeelten te onderzoeken en vooral te letten op het woord ‘geloof’: Johannes 1:12; 3:16 en 18; 3:36; 5:24; Romeinen 3:22,23; 4:3 5.
Ik ben er oprecht trots op een gelovige in de Here Jezus Christus te zijn. Ik maak geen aanspraak op een connectie met een kerkgenootschap, maar ik maak wel aanspraak op een connectie met Hem. Ik behoor niet bij een organisatie, maar wel bij God door het geloof in Jezus Christus. Aan alle zondaren die graag een Verlosser willen hebben, wil ik zeggen: ‘Hij is de Verlosser die u nodig heeft.’

Otis Q. Sellers

Printer-vriendelijke pagina