De nacht is ver gevorderd,
de dag is nabij (Rom 13:12)

Stichting Lachai-Roï

Hieronder staat de 'One-a-Day'-studie van vandaag. Elke dag verschijnt de volgende uit een reeks van 87 van deze studies. Na 87 dagen wordt opnieuw met de eerste studie begonnen.

55 - 
In het Woord van God wordt gesproken over een belangrijk uitgangspunt bij het uitleggen en iedere lezer zou hiermee bekend moeten zijn. In Romeinen 4:17 (St.Vert.) wordt ons gezegd dat God ‘de dingen roept, die niet zijn, alsof zij waren.’ Met andere woorden, Hij wijst op dingen die niet bestaan alsof zij al bestonden en Hij spreekt over dingen die nu niet gelden, alsof zij wel golden. Hij doet dat en Hij heeft ons verteld dat Hij dat doet. Het gebrek aan geloof in deze uitspraak en aan herkenning van dit principe heeft tot veel verwarring aanleiding gegeven.

Het belang van dit uitgangspunt zien we in het feit dat wanneer God spreekt over dingen ‘die niet zijn, alsof zij waren,’ die uitspraak automatisch een profetie is. De dingen waarover Hij spreekt alsof zij zijn, zullen er ongetwijfeld eenmaal zijn. Het voorbeeld dat in Romeinen is gegeven, gaat erover dat God over nakomelingen van Abraham sprak, ondanks dat hij kinderloos was en zowel Abraham als Sara geen mogelijkheden meer hadden om voor nageslacht te zorgen. God sprak alsof de menigte van Abrahams afstammelingen al een feit was, omdat het absoluut zeker een feit zou worden. Zijn uitspraak werd daarmee een profetie die nog vervuld moest worden. Als dat niet zou gebeuren, zou God beschuldigd kunnen worden van bedrog. De Bijbel wemelt van uitspraken waarin God dingen noemt, ‘die niet zijn, alsof zij waren,’ in het bijzonder in de Psalmen.

In Psalm 22:29 ontdekken we een gedurfde bewering dat ‘het koninkrijk des HEREN is, Hij is heerser over de volken.’ Aangezien het woord ‘koninkrijk’ heerschappij of regering betekent, is er tegenwoordig niets zo duidelijk als het feit dat God geen heerschappij oefent over de natiën en dat de natiën niet door Hem worden geregeerd. In ons eigen land beweren we dat de heerschappij (het recht om te regeren) aan het volk behoort. In de huidige tijd staat God toe dat alle volken ‘op hun eigen wegen gaan’ (Hand. 14:16) en als we getuige zijn van een vergadering van de Verenigde Naties, is dat ook heel duidelijk. Dus wat een uitspraak lijkt te zijn over de actuele situatie, is in werkelijkheid een profetie. De garantie dat we dit niet opvatten als een tegenwoordige toestand, vinden we in het vers dat eraan voorafgaat. Ook dat zal worden vervuld.

In Psalm 97:1 (St.Vert.) vinden we de uitspraak: ‘de HEERE regeert’ en in het Hebreeuws staat daar: ‘Yahweh is Koning geworden.’ De aarde wordt opgeroepen zich hierover te verheugen. Dat is een duidelijk voorbeeld van God Die spreekt over iets wat nu niet geldt, alsof het wel gold. Goddelijke heerschappij is geen actuele toestand. Het evenwicht in de Psalm laat dat zien, want er wordt gesproken over de dingen die duidelijk aanwezig zullen zijn wanneer God de aarde regeert. Hij zal voor die tijd niet ‘de volken richten in rechtmatigheid,’ zoals verklaard wordt in Psalm 96:10. Zie ook Psalm 105:7; 98:1 3 en 103:19 als voorbeelden van dit uitgangspunt.

Otis Q. Sellers

Printer-vriendelijke pagina