De nacht is ver gevorderd,
de dag is nabij (Rom 13:12)

Stichting Lachai-Roď

Hieronder staat de 'One-a-Day'-studie van vandaag. Elke dag verschijnt de volgende uit een reeks van 87 van deze studies. Na 87 dagen wordt opnieuw met de eerste studie begonnen.

25 - 
Het Hebreeuwse woord voor ziel (nephesh) wordt 754 maal gevonden in het Oude Testament. Het Griekse woord voor ziel (psuche) 105 maal. Hiermee hebben we een grote hoeveelheid materiaal om te bestuderen, maar slechts weinig mensen hebben er ooit werkelijk aandacht aan besteed, omdat ze alleen geďnteresseerd zijn in één of twee teksten die zodanig verdraaid kunnen worden dat zij hun eigen opvattingen ondersteunen. Als de student deze teksten uitzoekt, zal hij ontdekken dat, nadat de mens een levende ziel was geworden (Gen. 2:7), het woord ziel voortdurend gebruikt wordt als aanduiding voor de hele mens, het eigene van de mens, de levende persoonlijkheid die het gevolg is van de vereniging van geest (de levensadem) en vlees.
Dat kunnen we duidelijk zien in gedeelten als Genesis 46:27 (Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig) en Ezechiël 18:4 (de ziel die zondigt, die zal sterven). In beide Testamenten hebben termen als ‘mijn ziel’ de betekenis van ‘ik’ of ‘mijzelf.’ In Jesaja 42:1 en Mattheüs 12:18 wordt de uitdrukking ‘mijn ziel’ door God gebruikt en het is duidelijk dat het in beide teksten ‘Ik’ betekent.
We horen alom dat mensen een ziel hebben, dat hij een lichaam heeft of dat hij een geest heeft. En toch geven de mensen die dit zeggen niet aan, en dat kunnen ze ook niet, wat of wie de mens is die deze wonderbaarlijke dingen bezit. Het is zinnig te beweren dat een mens een huis heeft, of een vrouw, want de mens die deze dingen heeft, staat daar geheel los van. Wij zouden aan alle mensen die beweren dat een mens een ziel heeft, willen vragen wie of wat die mens is. Is de eigenaar groter dan wat hij in bezit heeft?
Aangezien de mens een levende ziel door een daad van God is geworden, nadat hij geschapen was, is het duidelijk dat het woord ziel wordt gebruikt om een aspect van het menselijk wezen te beschrijven. Als we zouden zeggen dat een man is getrouwd en daarmee een echtgenoot is geworden, gebruiken we het woord echtgenoot om een bepaald aspect van die man te beschrijven. Vanaf de dag van zijn huwelijk is hij een echtgenoot en kan hij met deze term worden aangeduid. En hoewel een vrouw best kan spreken over haar echtgenoot, kan er geen echtgenoot bestaan zonder de man. Als de man sterft, sterft ook de echtgenoot.
Het woord lichaam heeft te maken met de mens als fysiek wezen, het woord geest heeft te maken met de mens als een intelligent wezen en het woord ziel heeft te maken met een mens als een emotioneel wezen. Al deze woorden beslaan echter een breed spectrum van gebruik en er kunnen gemakkelijk teksten worden gevonden waarin zij niet op deze manier worden gebruikt.
Toen de Psalmist zei: ‘mijn ziel is ten zeerste verschrikt’ (Ps. 6:4), bedoelde hij dat zijn emoties en gevoelens tot het uiterste gespannen waren. Toen hij zei: ‘laat mijn ziel leven, en zij zal U loven’ (Ps. 119:175, St.Vert.), onderkende hij dat lofprijzing een zaak van emoties is, van gevoelens, hoewel dat ondersteund hoort te zijn door kennis (geest) met betrekking tot wat God is en heeft gedaan.
Het heeft geen zin om uit te roepen: ‘terug tot de Bijbel,’ tenzij we bereid zijn om terug te keren tot wat deze zegt over de ziel. Onze volgende boodschap zal zijn GODS WOORD OVER DE DOOD.

Otis Q. Sellers

Printer-vriendelijke pagina