De nacht is ver gevorderd,
de dag is nabij (Rom 13:12)

Stichting Lachai-Roď

Hieronder staat de 'One-a-Day'-studie van vandaag. Elke dag verschijnt de volgende uit een reeks van 87 van deze studies. Na 87 dagen wordt opnieuw met de eerste studie begonnen.

54 - 
In Spreuken 14:9 (Lutherse vertaling) wordt ons gezegd: ‘de zotten drijven spotternij met de zonde.’ In deze tijd wordt zelfs met de meest gruwelijke zonde omgegaan alsof het één grote grap is. We zien dat op televisie, in de literatuur, op de podia en in de films. Zonden als homoseksualiteit en lesbische liefde zijn zaken van algemeen vermaak en deze praktijken worden gebruikt om de gedachte te laten postvatten dat het hier om algemeen geaccepteerde zaken gaat. De woorden van Alexander Pope zijn hier van toepassing: ‘ontucht is een monster dat er zo verschrikkelijk uitziet; Dat je hem haat zodra je hem ziet; Maar als hij te vaak wordt gezien, raak je zo vertrouwd met zijn gelaat; Dat je hem eerst verdraagt, dan beklaagt, dan je arm om hem heenslaat.’

Het is verbazingwekkend, zelfs schokkend, te zien dat vele voorgangers en bepaalde kerkelijke richtingen zich positief en tolerant hebben uitgesproken over hen die zijn betrokken in het praktiseren van homoseksualiteit. Het Woord van God heeft evenwel gesproken en het is noodzakelijk dat we aandacht vragen voor wat daarin wordt gezegd.

Toen God Israël als volk vestigde en hun voorschriften gaf die zelfs tot in onze dagen Zijn gedachten en gevoelens over bepaalde praktijken openbaren, heeft Hij gezegd: ‘gij zult geen gemeenschap hebben met een, die van het mannelijk geslacht is, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw: een gruwel is het’ (Lev. 18:22). En verder heeft de Heer door Mozes gezegd: ‘een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw, - beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden’ (Lev. 20:13). We ontdekken dus dat het oordeel van God inhield dat beide partijen in deze gruwelijke zonde ter dood gebracht zouden worden.

In het eerste hoofdstuk van Romeinen hekelde Paulus de opvallende zonden in zijn dagen, precies dezelfde die de val van het Romeinse Rijk tot gevolg hebben gehad. In die tijd hadden de mensen de waarheid van God veranderd in een leugen en God had hen overgegeven aan oneerbare lusten. Het resultaat was dat ‘hun vrouwen de natuurlijke omgang hebben vervangen door de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende’ (Rom. 1:26,27). De apostel besluit zijn openlijke veroordeling met te zeggen dat, ondanks dat deze mensen wisten dat Gods oordeel over hen die zulke zonden bedreven, is dat zij de dood verdienen, zij het niet alleen zelf deden, maar ook hun bijval en goedkeuring gaven aan anderen.

Mensen die op deze wijze zondigen, staan niet graag alleen in hun zonden en daarom moedigen zij deze praktijken aan bij anderen. Zij ervaren een gevoel van zekerheid in het feit dat deze ontucht, waarvan zij weten dat het verkeerd is, algemeen wordt gepleegd.
Over dergelijke zonden heeft God zich uitgesproken. Wat Hij gezegd heeft, is geschreven en blijft geschreven.


Otis Q. Sellers

Printer-vriendelijke pagina